21:30 – De persoon die ik geloof te zijn is een verzinsel van de denkgeest, oftewel de mind. Buiten de denkgeest heeft de persoon geen enkele realiteit omdat het een continue stroom is van gedachten, concepten, ideeën en overtuigingen waar ik me mee identificeer. En dat doe ik niet alleen; iedereen die ik om mij heen zie doet exact hetzelfde. En omdat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten en min of meer hetzelfde geloven, lijkt het alsof onze zelfverzonnen zelfbeelden en werkelijkheden de realiteit zijn. Voor mijzelf en anderen bestaan ze natuurlijk echt, maar dat maakt ze nog niet waar.
Laat ik eerst beginnen met wat een persoon nu eigenlijk is en een aantal belangrijke kenmerken omschrijven:
- Een persoon bestaat uit geloof in gedachten, ideeën, concepten en overtuigingen.
- Een persoon ervaart wat hij gelooft en gelooft wat hij ervaart.
- De belangrijkste gedachten, etc. waar een persoon zich mee identificeert vormen zijn identiteit.
- Geloven = identificeren = vereenzelvigen = betekenis en waarde ervaren.
- Om die identiteit in stand te houden zal erin geïnvesteerd moeten worden; zonder investering sterft een identiteit omdat het geen substantie heeft.
- Een ander woord voor persoon is ego.
- De aard van het ego is (zelf)afwijzing, oordelen, veroordelen, schuld geven, haten, problemen creëren en oplossen, doen, oorzaak-gevolg verbanden leggen, controleren, analyseren, verklaren, begrijpen, projecteren, weerstand bieden, houden van het beeld van een ander, doelen stellen en nastreven, hoop creëren en najagen, niet-voelen, geloven in gebrek, tekort en schaarste. En er zijn vast nog wel een paar belangrijke die ik ben vergeten.
- Het ego – en dus een persoon – kan alleen blijven bestaan als het zichzelf, anderen en het geheel afwijst. Het ego moet blijven vechten, verzetten, weerstand bieden tegen ‘wat is’. En het gevecht gaat net zolang door zolang er geloofd wordt. Zonder geloof geen gevecht.
- Een persoon gelooft in een toekomst en een verleden.
- Een persoon gelooft dat hij het centrale middelpunt is van zijn eigen werkelijkheid en universum; immers, hij betrekt alles wat er gebeurt op zichzelf en maakt daar een verhaal van.
- Een persoon gelooft in verhalen met een begin, einde en een probleem dat zorgt voor drama.
- Een persoon gelooft dat het dingen vasthoudt, maar dat is niet waar. In werkelijkheid wil een persoon niet loslaten, omdat het zich verzet tegen de gevolgen ervan.
- Een persoon gelooft in doen. Intern doen houdt de identificatie met de denkgeest in stand en creëert de illusie van hoop en de illusie van controle.
- Een persoon ervaart altijd een probleem en door te doen creëert het de ervaring dat het goed bezig is en dat de oplossing nabij is. Valse hoop.
- Een persoon wil zijn problemen oplossen, maar daarmee versterkt hij het probleem alleen maar.
- Een persoon gelooft in dualiteit en daarmee in tegenstellingen. De ervaring van tegenstellingen creëert interne voorkeuren en het (ver)oordelen van interne én externe dingen. Dat geeft de persoon en zijn leven betekenis.
- Een persoon streeft naar dingen en doelen om gelukkig(er) te worden, omdat een persoon altijd een gebrek, tekort en/of zwart gat in zichzelf ervaart.
- Een persoon gelooft dat het controle via gedachten heeft over zichzelf en zijn leven via oorzaak-gevolg verbanden te leggen, zichzelf en anderen de schuld te geven, problemen proberen op te lossen en doelen na te streven.
- Een persoon gelooft dat iets werkelijk bestaat buiten zichzelf; in de realiteit is er niets.
- Een persoon gelooft dat goed en kwaad werkelijk bestaan; in werkelijkheid is het een projectie van iemand gelooft.
Word vervolgd… ~ lzv