09:30 – Ik werd vanochtend wakker en ik zat direct in de doe-modus. Ik merkte dat ik direct naar de bouwmarkt wilde en was daar de hele tijd in mijn hoofd mee bezig. Wat natuurlijk ook weer veel spanning en stress veroorzaakte. Dit is natuurlijk een duidelijke vorm van ‘doen’ waarbij ik een activiteit/resultaat de toekomst in projecteerde en daar angstvallig aan vasthoud (en hiermee de realiteit en ‘mijzelf’ hiernu afwijs en ontken). Laat ik eens kijken wat hier op emotioneel niveau achter zit, want ik zit al 25 jaar vast in dit gedachte- en gedragspatroon. Hieronder zal ik ook de andere kant ervan beschrijven.
Wat is ‘doen’?
‘Doen’ betekent voor mij gedachtepatronen volgen die ervoor zorgen dat ik krijg wat ik nodig heb, bereik wat ik nodig heb en/of realiseer wat ik nodig heb. ‘Doen’ kunnen fysieke activiteiten zijn als boodschappen doen, naar bouwmarkt gaan, solliciteren, fietsband plakken, verfklusje doen, planten water geven, eten koken, etc. Zolang ik dit in het moment doe, is er geen probleem en geen ervaring van spanning en stress.
Het probleem van het volgen van gedachtepatronen is dat ik daar heel rigide in ben; dat ik daar heel volhardend in ben en niet bereid ben om een gedachtepatroon los te laten. Als ik geloof dat ik iets nodig heb, dan blijf ik mij hier vaak lang in vastbijten. Een mooi voorbeeld is het uitzoeken van een nieuwe verfkleur. Ik blijf maar denken en vergelijken en voorstellen om een nieuwe kleur te bepalen, maar ik raak alleen maar gefrustreerd omdat ik er met louter denken niet uitkom. En dan word ik weer boos op mijzelf als het niet lukt.
Dus: als ik geloof dat ik iets nodig heb, dan ga ik denken en ‘doen’. Als ik er niet uitkom, dan geef ik mijzelf de schuld dat het mij niet is gelukt; ik veroordeel mijzelf erom.
Op het gebied van zelfacceptatie en ‘Verlichting’ geloof ik ook dat ik van alles moet ‘doen’ om zelfacceptatie en ‘Verlichting te bereiken:
- Ik moet constant bewust ademhalen.
- Ik moet elke dag nieuwe overtuigingen onderzoeken en concepten uitwerken.
- Ik moet het ‘juiste’ inzicht vinden waarmee ik het verleden kan loslaten.
- Ik moet meer weten en begrijpen om tot een staat van zelfacceptatie te komen.
- Ik moet meer interessante boeken lezen en nieuwe inzichten opdoen (en deze weer onderzoeken).
- Ik moet meer bewust zijn om tot een staat van zelfacceptatie te komen.
- Ik moet meer en beter observeren om niet mee te gaan in de gedachtepatronen van het ego.
De andere kant van het verhaal is dat ik enorm kan uitstellen; dat ik juist activiteiten die wel moeten gebeuren bewust uit de wegga om het leven (mijzelf) te saboteren; dat ik juist alles in het honderd kan laten lopen om mijzelf bewust in de problemen te brengen; dat ik juist niets kan doen vanuit een staat van ‘doen’ (bewust blokkeren en saboteren) en vervolgens geloven dat ik er niet uit kan komen. Mijzelf dwarsliggen, mijzelf saboteren, mijzelf tegenwerken, mijzelf in de problemen brengen met uitstel-, vermijdings- en slachtoffergedrag. In al deze gevallen verkeer ik niet in een staat van zijn, maar in een staat van doen, waarin ik energie blokkeer en mijzelf saboteer dat ik ben en eventueel iets doe en/of gedaan krijg.
Dus: denken en ‘doen’ hangen met elkaar samen. Denken en ‘doen’ kunnen zich manifesteren als gedachtepatronen gericht op de toekomst om iets te bereiken en/of te realiseren wat ik geloof nodig te hebben. Of juist worden ingezet als activiteit om de energie in mijzelf te blokkeren en mijzelf/het leven dwars te liggen, te saboteren en proberen te ondermijnen. In beide gevallen ben ik niet hiernu aanwezig en verkeer ik niet in een staat van zijn waarin ik geniet van de vrede en stilte in mijzelf of geniet van een spontane activiteit die ik aan het ondernemen ben.
Wat zit er achter dit gedrag? Waar ben ik bang voor?
Ik geloof niet dat het leven mij geeft wat ik nodig heb als ik de controle loslaat. Ik geloof niet dat dingen goed gaan als ik de controle loslaat. Ik geloof niet dat dingen zomaar naar mij toekomen zonder dat ik er iets voor hoef te doen. Ik vertrouw het leven niet; ik vertrouw mijzelf dus niet dat het goed komt.
Ik geloof gewoon niet dat ik zomaar liefde krijg. Ik geloof gewoon niet dat ik zonder iets te doen liefde krijg. ‘Doen’ is dus terug te leiden tot de behoefte aan liefde; ‘doen’ is terug te leiden tot de behoefte ‘ik heb liefde nodig’ en als ik niets doe, dan krijg ik ook niets.
‘Ik heb liefde nodig’ → is dat waar?
Ja, ik heb liefde nodig. Ja, ik heb liefde nodig omdat ik constant verkeer in een staat van liefdeloosheid. Ja, ik heb het nodig om liefde in mijzelf te voelen, want anders ga ik dood omdat ik mijzelf voel wegkwijnen in mijzelf. Ik ga dood omdat niemand van mij houdt.
Nee, want inmiddels ben ik een gezonder volwassen man en kan ik dus concluderen dat ik alles heb gekregen wat ik nodig had. Ondanks het feit dat mijn ouders mij misschien niet de liefde, aandacht en intimiteit hebben gegeven dat ik graag had gewild, heb ik – voornamelijk van mijn moeder – wel de liefde gekregen die ik nodig had. Ik leef en besta immers nog. En ik ben kerngezond.
De waarheid is dat ik als klein wezen liefde nodig heb om te kunnen overleven. Als allerkleinste wezen heb ik liefde nodig, omdat ik anders wegkwijn en doodga (zie het experiment van René Spitz in de jaren ’40). Maar als volwassene heb ik geen liefde nodig en kan ik alleen liefde ervaren door liefde te zijn/geven.
De waarheid is dat er geen gebrek, tekort of gemis is aan iets. Immers, er is/bestaat
Rest volgt later. ~ lzv